Skip to content

Is de school van iedereen? Syndicaal antwoord op Robert Voorhamme

dinsdag 25 september 2012

In ACOD-Onderwijs circuleert een interessante kritiek op het boek ‘De school is van iedereen’ van de Antwerpse onderwijsschepen Robert Voorhamme. Er wordt kritiek gegeven op het project van Voorhamme, zowel op pedagogisch vlak als inzake het maatschappelijk uitgangspunt. We publiceren hieronder de open brief van Chico Detrez, groepssecretaris van de Groep Stedelijk Onderwijs in Antwerpen.

Is de school van iedereen?

Open brief aan Robert Voorhamme

Chico Detrez

groepssecretaris Groep Stedelijk Onderwijs Antwerpen

Geachte heer R. Voorhamme, schepen voor Onderwijs van de stad Antwerpen

Beste Robert

Hebben politici iets met ‘bad timing’? Op vrijdag 15 juni verscheen jouw boekje ‘ De school is van iedereen’. Net voor de grote (media)storm over de voorstellen voor de hervorming van het secundair onderwijs in het Vlaams Parlement. Net ook voor de scholen aan hun einde-schooljaar-sprint begonnen. Dat zal wel verklaren waarom er op 4 september nog maar drie reacties op je aan het boekje gekoppelde website zijn verschenen.

Maar goed, laten we het van een positieve kant bekijken. Wie zin had kon tijdens de zomervakantie rustig kennis maken met wat er, als het van jou afhangt, met onderwijs staat te gebeuren. Ik hoop oprecht dat veel leerkrachten die moeite genomen hebben.

Robert, zijn dit sp.a gedragen voorstellen of schreef je dit in eigen naam? Duidelijkheid hierover had met het oog op de verkiezingen in oktober inhoudelijk een verademing kunnen zijn in het overgepersonaliseerde Janssens vs De Wever debat.

Ik heb lang nagedacht over een reactie en of ik deze zou publiceren. De eerste reacties op je boekje en jouw wederwoord in de pers bevestigden nog maar eens mijn overtuiging dat traagheid een waardevolle ‘competentie’ is die toelaat om meer overwogen en genuanceerd te reageren. Vandaag verglijden debatten al te snel tot (beleefde) scheldpartijen. Ofwel behoor je tot het kamp van de neoliberale economische strekking, die de lat naar beneden haalt en de onderwijskwaliteit te grabbel gooit. Ofwel behoor je tot het kamp van ‘behoudsgezinde mannen met een selectieve en angstaanjagende kijk op de wereld’ (de cursieve tekst  zijn jouw woorden in DS van 18/06), dit zweert bij de oude kennisoverdracht, latijn en veel wiskunde. Wie vandaag geen ongenuanceerde keuze tot het ene of het andere kamp wil maken, is op zijn minst verdacht. Zijn of haar bijdrage wordt onmiddellijk gefileerd tot men toch een argument behorend bij één van beiden kampen kan vinden om de oneerlijke ziel te ontmaskeren.

Waarom toch die verregaande en weerstand oproepende ongenuanceerdheid? Dat helpt niet om mensen aan het denken te zetten en een constructief debat te voeren. Neen, het werkt polariserend. Het staat haaks op je uitnodiging om, zoals Peter Adriaenssens besluit in zijn voorwoord, de ‘nek uit te steken met een creatieve aanzet van ideeën en te stimuleren tot debat’.

Wil ik daarmee zeggen dat er niets schort aan ons onderwijs? Verre van. Je haalt terecht een aantal fundamentele pijnpunten aan: het capaciteitsprobleem in Antwerpen en de andere grootsteden); de kansenongelijkheid op basis van de sociaal-economische situatie en/of etnische afkomst; de waterval en ongekwalificeerde uitstroom. Er ontbreken echter een aantal noodzakelijke nuances en, voor mij, vragen ze niet om de door jouw voorgestelde ‘radicale andere onderwijsaanpak’. Trouwens je argument dat we ons ‘op een kantelpunt in de samenleving bevinden’ is een argument zo oud als de school bestaat om bepaalde veranderingen als absoluut noodzakelijk naar voor te schuiven.

Voor welke samenleving kiezen we?

Robert, je bent in ieder geval heel duidelijk. Je kiest resoluut voor een economisch groeimodel als toekomstperspectief. Iedereen (en dus ook de school) dient aan dat model zijn bijdrage te leveren. Ik citeer: ‘Aangezien we een gemotiveerde bevolking willen die opnieuw gelooft in een toekomstperspectief van vooruitgang, hebben we behoefte aan een doeltreffender onderwijs’ (p. 31).

Ik kan moeilijk geloven dat een sociaal-democraat zo ongenuanceerd en kritiekloos het huidige economische model (ik vermijd opzettelijk het woord neoliberaal, want dat ligt gevoelig, heb ik gemerkt).

Dit model vertoont nogal wat haperingen (om het zacht uit te drukken). Dit beweren sociologen, zoals Richard Sennett, psychologen, zoals Paul Verhaeghe, en zelfs een gerenommeerde econoom zoals Paul De Grauwe, geeft dit toe.

–          opnieuw zitten we met een: economische en financiële ‘systeem-crisis’, het gevolg van de ‘heilige’ ‘vrije markt’;

–          de inkomensongelijkheid neemt toe;

–          het sociaal economisch beleid reageert hierop met het verkleinen van het sociale vangnet en strenge activeringspolitiek;

–          het arbeidsethos verwordt tot ‘leven in functie van de arbeid’ i.p.v. ‘arbeid in functie van het leven;

–          het mensbeeld van de mobiele,  en flexibel inzetbare arbeidskracht, met een loopbaan van aan elkaar geregen werkplekken, wordt als ideaal naar voor geschoven. Toch is dit ideaal slechts in een beperkte sector van hooggekwalificeerde jobs bereikbaar.

–          het concurrentiemodel, de survival of the fittest, weegt op ons sociaal leven en het aantal psychiatrische stoornissen neemt exponentieel toe;

–          …

Als de doeltreffendheid van het onderwijs gemeten wordt aan de bijdrage die de school levert aan dergelijk sociaal-economisch model, dan sta je toe dat de economische wereld zich het onderwijs toe-eigent. Dan vereng je de missie van het secundair onderwijs (zoals omschreven in de eerste oriënteringsnota hervorming secundair onderwijs), ik citeer: ‘Het Vlaamse secundair onderwijs moet er voor zorgen dat de talenten van alle leerlingen worden herkend en dat alle leerlingen hun talenten maximaal ontwikkelen, en daarbij competenties en waarden verwerven waardoor ze een open en sterke persoonlijkheid ontwikkelen, deelnemen en bijdragen aan het maatschappelijk leven en met kans op succes verder leren, werken en leven’, dan vereng je die missie tot ‘met kans op werk’.

Pijnpunten vs voorgestelde vernieuwingen

De waterval, die leidt tot ongekwalificeerde uitstroom wil je aanpakken en het zittenblijven bannen.

Daarom pleit je voor het 3 X 4 systeem. Hiermee wil je in de eerste plaats de kloof tussen basis- en secundair onderwijs wegnemen. Ik ben ervan overtuigd dat dit een stap in de goede richting zou kunnen zijn. Vraag is, of je daarmee geen andere kloven creëert, tussen 4 en 5 basisschool en 2 en 3 secundair. Ik denk dat we een stap verder moeten gaan om de kloof zo ver mogelijk uit te stellen.

Geef jongeren een brede algemene vorming van 6 tot 16 jaar (basisschool en eerste en tweede graad secundair). Met daarin de ruimte om de wereld in zijn veelheid aan facetten te verkennen. Leer hen op die manier belangstellingsterreinen te ontdekken. Haal de beroepsgerichte vormingscomponent, waarin beroepskwalificaties gehaald worden, uit het initiële onderwijs. Confronteer jongeren tot 16 jaar met de arbeidswereld, niet om kwalificaties te verwerven, maar om dat facet van de werkelijkheid te leren kennen en onderzoeken. Differentieer zodat meer praktisch gerichte en meer conceptueel gerichte jongeren binnen die belangstellingsterreinen samen aan de slag kunnen. (Hier leveren de Scandinavische landen heel wat inspiratie).

Bewaar dus je kwalificatieplicht voor de laatste twee jaar van het secundair en voor vervolgopleidingen.

Toch even dit meenemen in de discussie, Robert. Ik las in de Idea Nieuwsbrief van april 2012 dat uit een enquête bij 1.016 bedrijven  blijkt dat veertig procent van de ondervraagde bedrijven aangeven dat ze in de toekomst minder belang zullen hechten aan de aard en het niveau van het diploma.

De school is wereldvreemd en dat leidt tot spijbelgedrag en vroegtijdig afhaken van jongeren.

Er wordt inderdaad wat (hardnekkig) afgespijbeld en te veel jongeren haken af zonder getuigschrift.  Daarom ga je voor een aantrekkelijkere school. Op zich geen probleem. Opletten echter want aantrekkelijkheid, in de mate dat er een voor iedereen geldende aantrekkelijkheid zou bestaan, verandert nogal met de tijd. Vandaag domineert bij veel ouders en jongeren het economisch principe: met een minimale investering voor een maximale winst. Het is niet de juridisering op zich die voor meer bezwaren tegen eindbeslissingen zorgt.

Je gaat voor een onderwijs dat ‘meer aansluit op de leefwereld van de jongeren’ ,een verregaande digitalisering, een doorgedreven modularisering en een herschikking van de scholen in thematische campussen. Over de laatste twee schreef ik al eerder, dus die laat ik even rusten. Op de ‘aansluiting bij de leerwereld’ en de digitalisering wil ik wel kort ingaan.

Ik blijf het moeilijk hebben met de invulling van ‘het aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen’. Ik ben er van overtuigd dat de school er in de eerste plaats is om jongeren met allerhande leefwerelden te confronteren. Ja, ik ben het eens met Masschelein en Simons, we dienen jongeren net veel meer uit hun leefwereld te halen. Anders zal vooral de sociaal zwakkere leerling in zijn beperkte leefwereld blijven vasthangen. Emanciperen betekent ook verbreden.

Het kan ook niet, dat enkel waar de jongeren interesse voor hebben, aan bod komt. Onderwijs moet net het interessepalet van de jongeren (trachten) uit (te) breiden. Ik hoorde het laatst op radio 1 anders ,maar mooi, geformuleerd door Geert van Istendael: (uit het hoofd, dus niet letterlijk) ‘Leerkrachten dienen net boven de hoofden van de leerlingen te spreken, zodat ze uitgenodigd worden het hoofd uit te steken en te ‘groeien’ ‘.

Daar is tijd en ruimte voor nodig en die ontbreek leerkrachten en leerlingen nu.

De papierloze school! Ik hou niet van ongenuanceerdheid om te provoceren. Dat schreef ik al in de aanhef van deze brief.

Wat de ‘digitale didactiek’ betreft, als ik de digitalisering van het ‘lesgeven’ zo mag benoemen, even een paar bedenkingen:

Heel algemeen.

Ik vind je overgave aan de tablet, laptop en PC beangstigend. Misschien moeten we ons oor een keertje te luisteren leggen in de zeven noordelijke Indische deelstaten. Dan komen we misschien te weten wat digitale afhankelijkheid betekent als er zich enkele dagen langdurige stroompannes voordoen.

Wat de leerlingen betreft.

Je gaat voorbij aan het spanningsveld tussen ‘informatie’, ‘informatieverwerking’ en ‘kennis’. De kwaliteit van leren ligt niet in de hoeveelheid aan informatie die een leerling vergaart, maar in het opbouwen van kennisgehelen door het leggen van verbanden en het verwerven van inzicht. Niet de informatiehonger van de kinderen en jongeren moet gestild worden maar wel hun ‘natuurlijke honger naar kennis’ (p. 44).

Daarvoor is er meer nodig dan een filmpje te laten maken over het Romeinse Rijk (p. 38) of een interactieve quiz of vragenlijst (p. 45) te organiseren.

PC’s, Laptops en tablets kunnen een heel specifieke rol spelen in de didactiek. Ik volg Vanderlinde en Van Braak (DS 03-09-2012) in hun kijk op de invoering van tablets. De eerste randvoorwaarde is een duidelijke visie op onderwijs, niet vanuit de technologie. Tablets invoeren betekent in de eerste plaats de vraag stellen hoe deze technologie past binnen de opvattingen die de school heeft over goed onderwijs. (Voor de andere voorwaarden verwijs ik graag naar het artikel in de DS)

Het digitale behoort tot de leefwereld van de leerlingen. Vergeet niet dat jongeren zelf aangeven dat ze in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in de sociale media die ze via Laptop en tablet makkelijk kunnen gebruiken maar, dat het hen afleidt van het ‘echte’ leren. Gedigitaliseerde lessen zijn blijkbaar ook niet altijd even opwindend, leert ons ASO leerling 4de jaar humane wetenschappen, Axelle Wouters  ‘Als de les te saai wordt, grijp je meteen naar leuke spelletjes of ga je je amuseren op het internet’. (DS van 05-09-2012).

Onderwijs heeft de opdracht om jongeren dan net te confronteren met die facetten van de ICT-wereld waar ze ‘spontaan (?)’  geen belangstelling voor hebben. Ik mag hopen dat leerlingen mogen blijven kennismaken met het gewoon te beschrijven vel papier. Vanuit die confrontatie en ervaring kunnen ze na verloop van tijd zelf uitmaken welke plaats pen en papier in hun leven dient te krijgen.

Robert, nog een uitsmijtertje. Ik volgde een referaat van Mark Van Bogaert, zelfstandig tekstschrijver en schrijftrainer, in verband met schrijven voor het net. Ik geef je even de trefwoorden: hapklare brokjes, niet meer dan drie gedachtestreepjes, tekst moet scanbaar , … Kortom de inhoud is ondergeschikt aan de visuele structuur. Lezers meenemen in de ontwikkeling van een gedachtegang, stofferen en onderbouwen van argumentaties, … dat doe je op papier.

Je bent het toch met me eens dat we onze leerlingen ‘diepgang’ niet gaan ontzeggen? Wacht dan nog even om de handboeken te vervangen door de tablet of de laptop.

En, tenslotte, het addertje onder het gras. Ik citeer zonder verder commentaar. ‘Als het over kostenbeheersing gaat, moeten we ons goed realiseren dat digitaal onderwijs veel efficiënter is. Het maakt het mogelijk op middelen te besparen of die doeltreffend in te zetten’ (p. 51).

Wat leerkrachten betreft.

Hier ga je wel erg kort door de bocht.

Je geloof in de veel kleinere administratieve belasting voor leerkrachten door de digitalisering is weer erg ongenuanceerd.
Je gaat voorbij aan de tijd en opslorpende upgrades die mekaar snel opvolgen. Nog voor je een programma beheerst, moet je een deel van je tijd besteden aan het leren werken met een volgende software versie.

Ik ben niet overtuigd dat de school waar ‘de meester de toetsen niet hoeft op te halen of te verbeteren, er geen punten hoeven te worden overgeschreven in puntenboekjes’; ‘waar ‘alles automatisch gebeurt‘ en waar ‘op elk moment een rapport van de leerling of van de school kan worden opgevraagd’; waar ‘de resultaten van een meeting bij wijze van spreken met één druk op de knop’ te verkrijgen zijn (p. 64,  65),  voor minder administratieve last zorgt.

Los nog of dit de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Leg mij eens uit hoe je als leerkracht-coach succesvoller kan remediëren en ‘beter en sneller zicht hebt op wie het echt heeft begrepen en wie niet’ als je niet zelf taken en toetsen van leerlingen verbetert?

Waar in jouw digitale school is er aandacht voor de ‘materialisatie van het leren’. Het belang om leerstof en het geleerde in tastbaar materiaal om te zetten?

Ik heb ook wat uitleg nodig over de manier waarop je als leerkracht-coach in jouw papierloze school de opdracht ‘de passie voor wiskunde bij te brengen‘ ( p.43) waarmaakt?

Het gebrek aan toegankelijke beoordelings-resultaten.

‘Scholen moeten zich laten beoordelen en de resultaten hiervan bekendmaken’. Dat geeft ouders de kans om ‘een weloverwogen schoolkeuze’ te maken en komt de ouderbetrokkenheid ten goede. Dat zal voor een ‘beter onderwijs zorgen doordat de scholen inzicht krijgen in hun sterke en minder sterke punten’ (p. 53).

Ook hierbij een aantal bedenkingen.

Je maakt (opnieuw ongenuanceerd) brandhout van de doorlichting van de Gemeenschapsinspectie. De verslagen zijn onvoldoende op maat van de ouders. De doorlichtingsbezoeken gebeuren om de zes jaar waardoor de informatie uit de verslagen achterhaald is. Het moet allemaal veel sneller en zoals ik hoger al vermeldde, de digitalisatie zal de planlast van schoolevaluaties ondervangen.

Eén: een overschatting van de tijdwinst door digitalisatie. Twee: krijgen scholen ook nog tijd om én de goede dingen goed te blijven doen én de nodige bijsturingen en vernieuwing te implementeren. De doorlichting van scholen  om de zes jaar is geen toevallige keuze. Het sluit aan op de toenmalige overtuiging dat het volledig uitvoeren van een onderwijsvernieuwing minimaal 3 tot 5 jaar kost (Lagerweij en Haak).

Je wil scholen die veel meten om hun kwaliteit  (leerwinst, vorderingsresultaten) zichtbaar te maken.

Want, zo zegt het spreekwoord, meten is weten en stilstaan is achteruit gaan.

Klopt dit wel?

Meten levert ons informatie (geen kennis). Dankzij metingen komen we allerhande te weten over de school. Het blijft echter niet bij meten, er wordt op basis van de interpretatie van die gegevens ook gehandeld. Er wordt ook ge- en beoordeeld, we moeten bijsturingen opzetten die de efficiëntie en/of de kwaliteit verbeteren. Dat handelen is niet waardenvrij. Daarin weerspiegelen opvattingen en waarden over o.a. onderwijzen en schoolorganisatie.

Vandaag de dag zijn dat competentiegericht onderwijs en een bedrijfsgerichte benadering van de schoolorganisatie.

Het competentiegericht onderwijzen krijgt in de eerste plaats een beroepsgerichte invulling. Onmiddellijke toepasbaarheid en bruikbaarheid halen de bovenhand. De aansluiting op de arbeidsmarkt wordt het belangrijkste kwaliteitscriterium. Een uitspraak als ‘het onderwijs is de sociale zekerheid van morgen’ (p. 30), is hiervan een mooie illustratie.

Algemeen ontplooiingsgerichte persoonlijkheids-ontwikkeling komt in de verdringing. Want wat niet toetsbaar is, verdwijnt uit het vizier omdat het waardeloos wordt voor de kwaliteitsbewaking. Wat met kwaliteiten zoals loyaliteit, vertrouwen, diepe verbondenheid met waarden, een gevoel van verantwoordelijkheid en respect tegenover een zaak, een gevoel van identiteit. (Jan Masschelein)?

Welk bedrijf kan het zich nog veroorloven een stijgend percentage van zijn productie te verliezen? Dat is wat nu met ons onderwijssysteem gebeurt’ (p. 16). De bedrijfsgerichte benadering sluit naadloos aan op de visie over onderwijzen. Effecten moeten gemeten worden (het doorlichtingsverslag ‘concentreert zich eerder op processen‘ (p. 59)). Processen dienen beschreven te worden. ‘Balanced scorecards’ bijgehouden om de permanente evaluatie mogelijk te maken. permanente verandering en bijsturing is het adagio.

‘Stilstaan-bij kan eigenlijk niet meer. Het stilstaan-bij-iets betekent immers het proces onderbreken, niet om het daarna optimaler of doelgerichter te laten verlopen, maar om te vragen naar de zin ervan. ‘Vasthouden aan’ (waarden bijv.) kan ook net meer , want het roept een beeld op van verstarring, dus stilstand in negatieve zin’. (Jan Masschelein) .

Robert, ik sluit (voorlopig) af. Ik heb niet alle elementen uit je boekje behandeld. Je kan terecht de opmerking maken dat er in mijn bijdrage weinig concrete voorstellen zitten. Dat klopt. Ook in een op papier gedrukte bijdrage in een tijdschrift beschik je niet over voldoende ruimte te om volledig te zijn en een uitgewerkt alternatief te bieden. (Als ik daar al toe in staat zou zijn). Ik maak daarom van de gelegenheid gebruik om te verwijzen naar de congresbrochure van 2008 van de ACOD Onderwijs: ‘Voor een openbaar, democratisch en emancipatorisch onderwijs’.

Waar ik je gedachtegang wel volg, is de invulling van wat voor jou ‘de school is van iedereen’ betekent, nl. ‘dat de school er voor iedereen moet zijn, maar ook dat iedereen er voor de scholen moet zijn’ (p. 139). Wat onderwijs betreft dienen alle maatschappelijke sectoren hun verantwoordelijkheid te nemen. De school wordt te veel als enige op zijn verantwoor-delijkheid aangesproken bij allerhande maatschappelijke problemen.

Het riep bij mij herinneringen op aan de publicatie van de Koning Boudewijnstichting ‘De school staat niet alleen’, ondertussen 17 jaar oud. Een aanrader om de verwachtingen vanuit de samenleving naar onderwijs anno 1995 een keer te vergelijken met de verwachtingen nu.

Robert het is mijn bedoeling om met deze kanttekeningen in het debat tot genuanceerde standpunten en keuzes te komen. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat die ruimte er is en dat het debat niet gevoerd wordt nadat de beleidskeuzes al gemaakt zijn.

Kameraadschappelijk

Chico Detrez

Antwerpen, 5 september 2012

Voorhamme, Robert. ‘De school is van iedereen. Hoe het onderwijs anders kan werken. De Bezige Bij 2012. http://www.deschoolisvaniedereen.be

Bronnen:

Paul en Paul in het grote zeitgeist-debat. DS Weekblad 25,26-08-2012

Richard Sennet, De cultuur van het nieuwe kapitalisme. Meulenhoff 2007.

Pascal Smet, Mensen doen schitteren. eerste oriëntatienota hervorming secundair onderwijs. September 2010.

http://www.ideaconsult.be

Jan Masschelein , Maarten Sions, Apologie van de school. Een publieke zaak. ACCO 2012.

Geert van Istendael in Houtekiet op radio 1. 03-09-2012.

Ruben Vanderlind en Johan Van Braak, Een iPad voor elke leerling? DS 03-09-2012.

Wat als de iPad papier verving? (DS van 05-09-2012).

Nijs Lagerweij, Els Haak, Eerst goed kijken … De dynamiek van scholen-in-ontwikkeling. Garant1994.

Jan Masschelein, Het gewicht van meten’. In Caladoscoop jg. 12, nr 1. 2000.

ACOD Onderwijs, Voor een openbaar, democratisch en emancipatorisch onderwijs. Statutair Congres 9-5-2008.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: